Waarom breken ouderen hun heup zo makkelijk?
Ouderen breken hun heup makkelijker door de combinatie van brozer bot (osteoporose), vaker vallen en verminderde spierkracht. Weet je dat osteoporose in jouw familie voorkomt, bespreek het dan met je huisarts, want vroeg behandelen verlaagt het risico aanzienlijk.
Botten worden met de jaren brozer doordat de mineraaldichtheid daalt. Dit heet osteoporose. Bij ouderen met osteoporose is het bot al zo kwetsbaar dat een val die een jongere persoon nauwelijks zou voelen, de heup kan breken. Na een eerste heupfractuur is de kans op een tweede breuk zelfs tien keer zo groot als bij iemand zonder osteoporose.
De meeste heupfracturen ontstaan door een val. Dat vallen wordt op zijn beurt gevoed door meerdere factoren die op oudere leeftijd samenkomen: verminderde spierkracht, slechtere balans, slecht zicht, duizeligheid, en het bijwerkingenprofiel van bepaalde chronische medicijnen. Ook een laag lichaamsgewicht speelt mee: mager zijn geeft minder beschermend weefsel rond het bot en lijkt de heup extra kwetsbaar te maken.
Vrouwen dragen verreweg de grootste last: 80% van alle heupfracturen treft vrouwen, en de gemiddelde leeftijd bij een heupbreuk is 80 jaar. Dat vrouwen vaker getroffen worden, hangt samen met snellere botafbraak na de overgang en gemiddeld lagere botmassa.
Een heupfractuur is geen bijzaak. Tien tot zestien procent van de ouderen breekt binnen twee jaar de andere heup ook. Internationaal overlijdt tot 30% van de patiënten binnen een tot twee jaar na de breuk. Extra kwetsbaar zijn mannen, mensen met dementie, en mensen die al vóór de operatie ernstig ziek zijn. Een bijkomend risico dat minder bekend is: na een heupfractuur krijgt bijna 7% een beroerte, met name mensen met diabetes of een slechte voedingstoestand.
Alle claims zijn gebaseerd op meerdere observationele en retrospectieve studies. Sterfte- en complicatiecijfers komen deels uit Chinese en Koreaanse populaties en zijn mogelijk niet één op één vertaalbaar naar andere landen. Geen RCT-data voor de risicofactoren zelf; causaliteit voor de meeste verbanden is aannemelijk maar nog niet experimenteel bewezen.