Wat heeft schildklierproblemen te maken met osteoporose?
Zowel een te actieve als een te trage schildklier vergroot de kans op osteoporose. Als je een schildklierprobleem hebt, is het verstandig om met je arts te bespreken of je botten extra aandacht verdienen.
Zowel een te drukke als een te trage schildklier vergroot de kans op botontkalking. Bij een overactieve schildklier wordt bot sneller afgebroken dan aangemaakt. Genetisch onderzoek wijst op een oorzakelijk effect: mensen met een aanleg voor hyperthyreoïdie hebben ongeveer 17% meer kans op osteoporose, al vond één andere studie dit verband niet terug. Bij oudere vrouwen (na de overgang) en mannen boven de vijftig is de link met verminderde botdichtheid het duidelijkst zichtbaar.
Ook een onderactieve schildklier hangt samen met minder stevige botten. Genetisch onderzoek suggereert dat hypothyreoïdie de kans op osteoporose met zo'n 10-11% verhoogt. Hashimoto-thyroïditis, een auto-immuunziekte waarbij het eigen afweersysteem de schildklier aanvalt, lijkt de botsterkte eveneens te beïnvloeden: de kans op osteoporose ligt bij mensen met een genetische aanleg voor deze aandoening zo'n 14% hoger.
Zelfs een milde, 'stille' vorm van een te actieve schildklier, waarbij het schildklierhormoonniveau nog normaal is maar het stuursignaal vanuit de hersenen al te laag, verhoogt het risico op botbreuken en osteoporose. Dat blijkt uit meerdere studies, al gaat het hier om verbanden die nog niet volledig als oorzaak-en-gevolg bewezen zijn.
Over schildklierhormoonsuppletie als risicofactor voor botontkalking is het bewijs dun. Er is een oud signaal dat langdurig gebruik van schildklierhormoonmedicatie de botten kan beïnvloeden, maar op basis van de beschikbare informatie valt daar weinig concreets over te zeggen. Heb je een schildklierprobleem en maak je je zorgen over je botten, bespreek dan met je arts of je TSH-waarde goed ingesteld is en of botdichtheidsmeting zinvol is.
Gebaseerd op meta-analyses, Mendeliaanse randomisatiestudies (genetisch oorzakelijkheidsonderzoek) en een grote dwarsdoorsnedestudie. De Mendeliaanse randomisatiestudies bieden de sterkste aanwijzingen voor oorzakelijkheid, maar zijn niet unaniem. Resultaten over hyperthyreoïdie spreken elkaar deels tegen.