Kan té weinig lichaamsvet je botten schaden?
Té weinig vet kan je botten schaden, maar spiermassa en de plek waar vet zit tellen minstens zo zwaar. Heb je zorgen over botgezondheid in combinatie met weinig lichaamsvet, bespreek dat dan met je huisarts of sportarts.
Té weinig lichaamsvet kan inderdaad de botten schaden, maar het is niet zo simpel als 'meer vet = betere botten'. Welk vet, waar in het lichaam, en hoeveel spiermassa je hebt, maakt een groot verschil.
Het duidelijkste voorbeeld komt uit sportonderzoek. Bij elite duursporters die te weinig aten in verhouding tot hun inspanning, had 45% een verminderde botdichtheid. Een kwart voldeed aan alle drie de kenmerken van de zogenoemde 'vrouwelijke atleet-triade': te weinig energie, verstoorde menstruatie én zwakkere botten. Opvallend: deze vrouwen hadden een normaal gewicht. Je hoeft dus niet extreem mager te zijn om botschade op te lopen.
Spiermassa speelt waarschijnlijk een grotere rol voor de botten dan vetmassa zelf. Onderzoek bij kinderen liet zien dat spieren de enige factor waren die botdichtheid voorspelden. Meer vetmassa bij zwaarlijvige kinderen ging zelfs samen met een lagere botdichtheid in de rug. Bij postmenopauzale vrouwen met diabetes was de groep met te weinig spiermassa het slechtst af qua botdichtheid, terwijl overgewicht zonder spierverlies de botten juist leek te beschermen.
Niet al het vet doet hetzelfde. Vet rondom de heupen en dijen lijkt de botten te beschermen, ook als je corrigeert voor andere factoren. Buikvet rondom de organen hangt in meerdere studies samen met een lagere botdichtheid, al is oorzakelijkheid hier nog niet bewezen. Het totale vetpercentage zegt dus weinig: de locatie van het vet telt.
Op oudere leeftijd komen spierverlies en botafbraak vaak samen voor, soms in combinatie met toename of herverdeling van vetmassa. Dit samenspel kan de botgezondheid negatief beïnvloeden. Laaggradige chronische ontsteking wordt daarbij als mogelijke verklaring gezien, maar de precieze mechanismen zijn nog niet volledig in kaart gebracht.
Alle claims zijn gebaseerd op observationeel en associationeel onderzoek; één analyse met Mendeliaanse randomisatie geeft enige ondersteuning voor causaliteit bij gynoidvet. Geen RCT's beschikbaar. Bewijssterkte is overwegend matig.