De daling van groeihormoon met de leeftijd is goed vastgesteld en hangt samen met verlies van spier- en botmassa, maar het is geen ziekte die behandeld moet worden. Groeihormoonsuppletie bij gezonde ouderen geeft nauwelijks functioneel voordeel en brengt reële risico's mee, waaronder bijwerkingen en een verhoogde kans op kanker. Dieronderzoek suggereert zelfs dat een lagere groeihormoonactiviteit op latere leeftijd kan bijdragen aan een langere levensduur, al is dat bij mensen nog niet eenduidig aangetoond.
Groeihormoon daalt fors naarmate je ouder wordt. Bij mensen boven de zestig liggen de gemiddelde waarden over een etmaal vaak zelfs onder de detectiegrens van gangbare meetmethoden, vergelijkbaar met patiënten die door een hersenklieraandoening een klinisch tekort hebben. Dit verouderingsproces heeft een eigen naam gekregen: de somatopauze. Het niveau op oudere leeftijd bedraagt ruwweg twintig procent van wat het was tijdens de puberteit.
Die daling is niet zonder gevolgen. Groeihormoon stuurt samen met het groeifactor IGF-1 de opbouw van spieren en botten aan. Een lager niveau hangt samen met verlies van botmineraaldichtheid en spiermassa naarmate men ouder wordt. Of de daling van het hormoon de oorzaak is of slechts samengaat met bredere verouderingsprocessen is nog niet definitief vastgesteld, maar het verband is consistent genoeg om het serieus te nemen.
De voor de hand liggende vraag is dan: kan je de klok terugdraaien door het hormoon aan te vullen? Het korte antwoord is: nauwelijks, en niet zonder risico. Klinische studies naar groeihormooninjecties bij gezonde ouderen tonen hooguit een bescheiden toename van vetvrije massa, maar geen betekenisvolle verbetering van spierfunctie of kwaliteit van leven. De meeste van deze studies hadden bovendien geen placebogroep, wat de waarde van de positieve bevindingen verder beperkt.
Het veiligheidsplaatje maakt het beeld nog nuchterder. Groeihormoonbehandeling bij gezonde ouderen gaat gepaard met een hoge incidentie van bijwerkingen. Bovendien zijn hogere IGF-1-waarden in bevolkingsstudies in verband gebracht met een verhoogd risico op meerdere vormen van kanker. Dat heeft het enthousiasme voor het corrigeren van de somatopauze aanzienlijk getemperd.
Opvallend genoeg wijzen dierexperimenten in een verrassende richting. Muizen met een erfelijk groeihormoongebrek leven significant langer dan normale soortgenoten, terwijl muizen waarbij het gen voor groeihormoon extra actief is gemaakt juist eerder verouderingsverschijnselen vertonen en korter leven. Bij mensen zijn de bevindingen tegenstrijdig, maar dit maakt duidelijk dat een lagere groeihormoonactiviteit op latere leeftijd niet per definitie iets is wat gerepareerd moet worden.
Groeihormoonbehandeling is bij volwassenen uitsluitend medisch geïndiceerd wanneer er een aangetoond tekort bestaat door een aandoening van de hypofyse of hypothalamus, of bij mensen die al vanaf de kindertijd een tekort hadden. De normale leeftijdsgerelateerde daling valt daar niet onder. Wie bezorgd is over spierverlies of botdichtheid, kan beter kijken naar krachtraining en voeding, want die interventies hebben een betere verhouding tussen effectiviteit en risico dan hormonale suppletie buiten een medische indicatie.
Gebaseerd op drie tot zes humane studies en dierexperimenten (PMID 8300054, 36948778, 10905380, 33068640, 9704566). De associatie tussen veroudering en GH-daling is goed gedocumenteerd. Het bewijs voor de effecten van GH-behandeling bij gezonde ouderen is beperkt door kleine steekproeven en het ontbreken van placebogroepen.