Werkt rozemarijnolie echt voor je haargroei?
Rozemarijnolie scoort in één kleine studie even goed als minoxidil 2%, maar dermatologen bevelen het nog niet aan; gebruik het gerust als laagdrempelig alternatief, maar verwacht geen wonderen als bewezen behandelingen beschikbaar zijn.
Eén gerandomiseerde studie (100 deelnemers, 6 maanden) vergeleek rozemarijnolie met minoxidil 2% bij mensen met erfelijk haarverlies. Na zes maanden telden beide groepen significant meer haren, en het verschil tussen de twee was niet significant. Na drie maanden was er in geen van beide groepen al een effect zichtbaar. Dat klinkt bemoedigend, maar het is slechts één studie, zonder placebogroep.
Rozemarijnolie veroorzaakte in die studie ook meer jeuk dan aan het begin, al was die jeuk minder erg dan bij minoxidil. Als je gevoelige hoofdhuid hebt, is dat iets om rekening mee te houden.
In dier- en labonderzoek remt rozemarijnextract een enzym dat bij erfelijk haarverlies een rol speelt, en stimuleert het haargroei bij muizen. Dat is een plausibele verklaring voor het effect, maar muisresultaten gelden niet automatisch voor mensen.
De positievere bevindingen staan tegenover stevigere tegengeluiden. Een Canadees panel van elf dermatologen plaatste rozemarijnolie in 2025 op de lijst van 'niet aanbevolen' middelen voor erfelijk haarverlies. Een vergelijkende analyse van vijftien behandelingen rangschikte rozemarijnolie lager dan dutasteride, minoxidil en finasteride. Kortom: er is biologisch aannemelijk iets gaande, maar het klinische bewijs is nog erg mager.
Eén systematische review ziet rozemarijnolie als een optie voor mensen die bezwaar hebben tegen minoxidil of finasteride, of als aanvulling op die middelen. Dat is een realistisch perspectief: niet als vervanging van bewezen behandelingen, maar als een relatief veilig alternatief met beperkte maar niet nul onderbouwing. Heb je last van serieus haarverlies, bespreek de opties dan met je huisarts of dermatoloog.
Alle claims zijn gebaseerd op: één RCT (n=100, PMID 25842469), één dier/labstudie (PMID 22517595), één systematische review (PMID 35044013), één netwerk-meta-analyse (PMID 41051009), één Delphi-consensusrichtlijn (PMID 40986632) en één bevolkingsonderzoek (PMID 39186547). De RCT heeft geen placebogroep; de netwerk-meta-analyse is beperkt door de kwaliteit van de ingesloten studies.