Welke rol spelen hormonen in psychische klachten en schiet de huidige psychiatrie tekort door alleen symptomen te bestrijden?
Hormonen, en cortisol in het bijzonder, spelen bij een deel van de psychische klachten een aanwijsbare rol, maar de psychiatrie kan dit niet zomaar als universele verklaring gebruiken. Laat je hormoonspiegels meten als je vermoedt dat stress of hormonale ontregeling bij jouw klachten meespeelt, en bespreek dat gericht met je arts.
Cortisol, het voornaamste stresshormoon, speelt een duidelijke rol bij een deel van de psychische klachten. Bij mensen met een ernstige depressie is de zogeheten HPA-as (het systeem dat cortisol aanmaakt) regelmatig ontregeld. Reviews ondersteunen dit verband bij een aanzienlijke subgroep, maar niet bij alle depressieve patiënten. Dit maakt het onmogelijk om depressie als één hormonale aandoening te zien.
Het sterkste bewijs voor directe hormoon-oorzakelijkheid komt uit het syndroom van Cushing, een aandoening waarbij de bijnier structureel te veel cortisol produceert. Patiënten ontwikkelen daadwerkelijk psychiatrische en cognitieve klachten. Dat is een aanwijzing dat hoge cortisolspiegels psychische problemen niet alleen begeleiden maar ook uitlokken.
Een meta-analyse van 80 studies laat zien dat mensen met een vlakkere cortisolcurve over de dag gemiddeld een slechtere geestelijke en lichamelijke gezondheid hebben. Het verband is klein tot matig, en of de afwijkende cortisolcurve oorzaak of gevolg is, is niet vastgesteld.
Chronisch verhoogde stresshormonen beschadigen hersenstructuren die betrokken zijn bij geheugen en emotieregulatie. Vroege traumatische ervaringen, zoals mishandeling of verwaarlozing in de kindertijd, verhogen dit langetermijnrisico aantoonbaar. Er is ook een duidelijk verband met een lage sociaaleconomische status.
De vraag of de psychiatrie tekortschiet door alleen symptomen te bestrijden, krijgt enige steun uit het HPA-as-onderzoek. Reviews beschrijven dat bepaalde geneesmiddelen gericht op het cortisolsysteem veelbelovende resultaten laten zien bij patiënten mét aantoonbare HPA-as-afwijkingen. Tests die die afwijking meten, zouden in theorie helpen om de juiste behandeling te kiezen. Maar deze aanpak is nog geen standaard in de klinische praktijk, en het bewijs is vooralsnog beperkt tot vroege studies.
Bronnen omvatten één meta-analyse (80 studies, PMID 28578301) en meerdere narratieve reviews. Geen gerandomiseerde trials of systematische reviews buiten de meta-analyse. Causale claims zijn deels gebaseerd op het 'natuurlijk experiment' van het syndroom van Cushing en observationele verbanden.