Waarom zijn ouderen vatbaarder voor griep?
Ouderen zijn vatbaarder voor griep doordat hun immuunsysteem met de jaren minder goed werkt, waardoor ze zowel vaker ernstig ziek worden als minder bescherming opbouwen via vaccinatie. Vaccineren blijft desondanks zinvol, al is de bescherming bij ouderen kleiner dan bij jongere mensen.
Naarmate je ouder wordt, gaat je immuunsysteem geleidelijk achteruit. Dit verschijnsel heet immunosenescentie. Concreet betekent het dat de cellen die infecties moeten herkennen en onschadelijk maken, minder goed worden aangemaakt en minder snel reageren. Zo bouwt het lichaam minder beschermende afweercellen op na contact met het griepvirus, waardoor de infectie langer vrij spel heeft.
Die verminderde weerstand raakt ook de effectiviteit van vaccinatie. Ouderen reageren minder sterk op het griepvaccin dan jongere volwassenen: er worden minder antistoffen aangemaakt en de reactie van de afweercellen blijft achter. Het vaccin biedt ouderen dus wel enige bescherming, maar minder dan bij jongere mensen.
Buiten de griep zelf zijn het de complicaties die ouderen het hardst treffen. Het risico op een hartaanval is in de eerste week na een griepinfectie ruim zes keer hoger dan normaal, en na dag zeven verdwijnt die piek weer. Longontsteking door een bacteriële infectie bovenop de griep is de meest voorkomende ernstige complicatie bij gehospitaliseerde ouderen van 65 jaar en ouder. In kleinere aantallen zijn ook hersenontsteking en bewustzijnsstoornissen vastgesteld, hoewel die bevindingen berusten op een beperkte en retrospectieve studie.
Ouderen hebben als groep ook vaker al hartproblemen of andere chronische aandoeningen, waardoor de kans op die ernstige uitkomsten extra groot is. Dit stapeleffect, een achteruitgaand immuunsysteem plus een kwetsbaar lichaam, verklaart waarom griep bij ouderen veel vaker tot ziekenhuisopname en sterfte leidt dan bij jongere mensen.
Gebaseerd op één review over immunosenescentie (PMID 31733824), één retrospectieve ziekenhuisstudie bij ouderen (PMID 39688656), één zelfgecontroleerde casusstudie naar hartaanvallen (PMID 29365305) en een algemene epidemiologische bron (PMID 10738677). De bewijskracht varieert per deelonderwerp: sterk voor het hartaanvalrisico, matig voor immunosenescentie en complicaties in het algemeen, beperkt voor neurologische complicaties.