Verhoogt veel koppen bij voetbal of een hersenschudding mijn dementierisico later?
Profvoetballers die veel koppen lopen een flink hoger dementierisico dan keepers of mensen zonder topsportverleden. Na een hersenschudding met geheugenverlies geldt dat ook.
De sterkste aanwijzing komt uit een grote Zweedse studie met ruim 6.000 topvoetballers en meer dan 56.000 mensen uit de gewone bevolking1. Veldspelers hadden 50% meer kans op een hersenziekte en bijna 62% meer kans op dementie. Keepers, die nauwelijks koppen, hadden géén significant verhoogd risico. Dat verschil wijst naar koppen als verbindende factor, al bewijst dit soort onderzoek nog geen directe oorzaak.
Hoe vaak je kopt, maakt echt uit. In een studie onder 459 gepensioneerde mannelijke profvoetballers hadden spelers die meer dan 15 keer per wedstrijd kopten ruim drie keer zoveel kans op cognitieve achteruitgang dan spelers die nauwelijks kopten2. Een kleinere studie onder 60 Engelse ex-profs bevestigde dit: meer loopbaankoppen voorspelde slechtere geheugenresultaten, terwijl gewone hoofdblessures dat juist niet deden3. Beide studies leunen op zelfrapportage, wat onnauwkeurig kan zijn.
Een hersenschudding met geheugenverlies verhoogt het risico ook. Dezelfde studie van 459 ex-profs vond daarvoor een verhoogde kans van ruim drie keer2. Herhaalde hersenschuddingen kunnen het langetermijnrisico op cognitieve achteruitgang vergroten. Ook herhaalde lichte klappen zónder hersenschudding worden als mogelijk risico gezien4.
Bij obductie van zes gestorven profvoetballers met dementie werd bij vier CTE gevonden. CTE is een hersenziekte die gelinkt is aan herhaalde klappen op het hoofd5. Dit is wel een kleine, geselecteerde groep. Je kunt er niet uit afleiden hoe vaak CTE bij voetballers in het algemeen voorkomt.
Niet elke studie is eensluidend. Een vroege studie onder 92 gepensioneerde profs vond géén significant verband tussen kopgedrag en cognitieve achteruitgang6. Die studie was echter te klein voor harde conclusies. Belangrijk: alle data gaan over professionele mannelijke spelers met jarenlange intensieve blootstelling. Of recreatieve spelers of vrouwen hetzelfde risico lopen, kun je hieruit niet afleiden.
Alle claims zijn gebaseerd op studies met PMID's 36934741, 37459095, 34708914, 28205009, 28387556 en 24026299. De grote Zweedse cohortstudie (PMID 36934741) is de meest robuuste bron. De overige studies zijn kleinschalig of cross-sectioneel en leunen deels op zelfrapportage. Geen enkele studie bewijst sluitend oorzakelijkheid. Vrouwen en recreatieve sporters zijn nauwelijks vertegenwoordigd in de beschikbare data.