Wat is NAD+ en wat doet het in je lichaam?
NAD+ is een onmisbare molecule voor energie, DNA-herstel en celgezondheid, maar de vraag of je die levels actief moet ophogen voor betere gezondheid is nog niet beantwoord voor mensen.
NAD+ is een kleine molecule die in elke cel van je lichaam zit en die niet kan missen bij het omzetten van voedsel in energie. In de mitochondriën, de energiecentrales van je cellen, fungeert NAD+ als een soort moleculaire estafettestokje dat elektronen doorgeeft. Zonder NAD+ staat de energieproductie stil.
NAD+ is ook de brandstof voor twee typen eiwitten die je cellen gezond houden. Ten eerste voor enzymen die DNA-schade repareren: die verbruiken NAD+ telkens wanneer ze een breuk in het DNA dichten. Ten tweede voor sirtuinen, eiwitten die meehelpen oxidatieve stress te beheersen en de mitochondriën actief te houden. Als NAD+ schaars wordt, presteren beide systemen slechter.
Met het ouder worden daalt de hoeveelheid NAD+ in je weefsels. Bij knaagdieren hangt deze daling samen met spierzwakte, cognitieve achteruitgang en stofwisselingsproblemen. In dieronderzoek kon het herstellen van NAD+ een deel van die effecten vertragen. Of dat ook bij mensen opgaat, is nog niet goed aangetoond.
NAD+ heeft ook een dubbelzinnige kant bij ontstekingen. Immuuncellen verbruiken veel NAD+ als ze in actie komen, wat gunstig is bij een infectie. Bij langdurige darmontsteking, zoals de ziekte van Crohn, drijft datzelfde verbruik echter de ontsteking aan. NAD+ is dus zowel noodzakelijk voor gezonde cellen als een brandstof voor ontstekingsprocessen.
Ten slotte beïnvloeden afbraakproducten van NAD+ de calciumbalans in cellen en daarmee ook de vraag of een cel in geprogrammeerde celdood gaat. En een bijzondere aanmaakroute via het aminozuur tryptofaan levert stoffen op die de communicatie tussen hersencellen beïnvloeden, relevant voor hersenwerking en mogelijk psychiatrische aandoeningen.
De basisrollen van NAD+ in energiemetabolisme zijn sterk onderbouwd. De rol bij veroudering, DNA-herstel en sirtuinen is aannemelijk maar voor een groot deel gebaseerd op dier- en laboratoriumonderzoek; bewijs bij mensen is beperkter.