Bij mannen daalt het testosteron vanaf ongeveer 35-40 jaar langzaam met 1-3% per jaar, wat kan samengaan met vermoeidheid, libidoverlies en stemmingsklachten. Dit proces verschilt fundamenteel van de vrouwelijke menopauze en of de klachten volledig hormonaal verklaard worden, is nog niet onomstotelijk bewezen.
Ja, er bestaat zoiets als een 'mannenovergang', maar die is fundamenteel anders dan de vrouwelijke menopauze. Vanaf een leeftijd van ongeveer 35 tot 40 jaar daalt het testosterongehalte bij mannen met circa 1 tot 3 procent per jaar. Dit geleidelijke proces wordt andropauze of soms 'late-onset hypogonadisme' genoemd1,2.
Het grote verschil met de vrouwelijke menopauze is dat bij vrouwen de eierstokken hun functie abrupt en volledig stoppen, terwijl het bij mannen gaat om een langzame, sluipende daling over tientallen jaren. Mannen blijven bovendien tot op hoge leeftijd vruchtbaar, al nemen zaadcelproductie en zaadkwaliteit wel geleidelijk af2,3.
Sommige mannen van middelbare leeftijd rapporteren klachten die doen denken aan die van de vrouwelijke menopauze: vermoeidheid, verminderd libido en stemmingsveranderingen. Of deze klachten volledig door de hormoondaling worden veroorzaakt, staat echter ter discussie. De samenhang is aangetoond maar er is geen bewijs voor een directe oorzaak-gevolgrelatie3.
Werkgerelateerde factoren spelen ook een rol. Psychische stress, zware lichamelijke belasting en slaapproblemen hangen samen met ernstiger klachten, zo blijkt uit een systematische review van 9 studies4. Stress en ziekte kunnen bovendien de leeftijdsgerelateerde daling van de testosteronproductie in de teelballen (de zogeheten Leydig-cellen) versnellen2.
Een bijkomend aandachtspunt is dat stellen tegelijkertijd te maken kunnen krijgen met hormonale veranderingen: de man met andropauze, de vrouw met menopauze. Dat kan de seksuele gezondheid van beide partners beïnvloeden, en behandeling van slechts één partner kan dan onvoldoende of zelfs nadelig zijn5,6. Tot slot heeft de daling van testosteron en groeihormoon ook een bescheiden negatieve invloed op de huid en wondgenezing, al is dit verband vooralsnog associatief7.
De claims zijn gebaseerd op een mix van overzichtsstudies, een systematische review en oudere primaire studies. Het bewijs voor de hormoondaling zelf is redelijk solide; het bewijs voor een directe oorzakelijke relatie tussen die daling en klachten is zwakker en voornamelijk associatief.