Regelmatig bewegen en deelnemen aan gecombineerde leefstijlprogramma's (beweging, voeding, cognitieve training, sociale betrokkenheid) lijkt cognitieve achteruitgang te vertragen bij ouderen met verhoogd dementierisico. Het bewijs is matig sterk; het zelfstandige effect van sociale betrokkenheid is nog niet goed te isoleren.
Bewegen lijkt inderdaad beschermend te werken tegen cognitieve achteruitgang en dementie. Ouderen die regelmatig lichamelijk actief zijn, houden hun cognitieve functies beter vast. Wetenschappers denken dat beweging de hersenen beschermt via meerdere wegen: het remt ontstekingen, verbetert de doorbloeding en stimuleert de aanmaak van groeistoffen voor hersencellen, de zogenaamde neurotrofinen. Een laag activiteitsniveau wordt in bevolkingsstudies juist aangewezen als risicofactor voor de ziekte van Alzheimer. Het bewijs is overtuigend genoeg om beweging serieus te nemen, maar niet zo sterk dat we het een zekere remedie mogen noemen.
Internationale richtlijnen bevelen lichamelijke activiteit aan als primaire preventie van dementie, maar voegen daar direct aan toe dat de onderliggende bewijskwaliteit laag tot zeer laag is. Een belangrijke kanttekening: bij mensen die al een milde cognitieve stoornis (MCI) hebben, dus een vroeg stadium van geheugenproblemen, is het onduidelijk of meer bewegen de overgang naar volledige dementie daadwerkelijk vertraagt. Internationale experts spreken van 'voortdurende onzekerheid' op dit punt.
De grootste winst lijkt te komen van gecombineerde aanpakken waarbij bewegen, gezonde voeding, cognitieve training en sociale betrokkenheid samen worden ingezet. De Finse FINGER-studie, een gerandomiseerde gecontroleerde trial bij 60- tot 77-jarigen met verhoogd dementierisico, liet zien dat zo'n tweejarig combinatieprogramma cognitieve achteruitgang significant vertraagde vergeleken met alleen algemeen gezondheidsadvies.
De recente Amerikaanse POINTER-studie (2111 deelnemers, gemiddeld 68 jaar) bevestigde dit beeld. Deelnemers aan een intensief gestructureerd programma, met beweging, voeding, cognitieve activiteit, sociale betrokkenheid en cardiovasculaire monitoring, verbeterden significant meer in cognitiescores dan mensen in een zelf-geleide variant. Opvallend: ook de zelf-geleide groep ging er cognitief op vooruit, alleen minder sterk. Bijkomend positief nieuws: ernstige bijwerkingen waren juist minder in de gestructureerde groep. Het voordeel gold zowel voor mensen met een bepaald genetisch risico (APOE ε4-dragers) als voor mensen zonder.
Sociale betrokkenheid wordt in de literatuur genoemd als een van de factoren die cognitieve achteruitgang kan helpen voorkomen of vertragen. Probleem is dat sociale betrokkenheid in de grote trials altijd wordt gecombineerd met andere leefstijlveranderingen, waardoor het onmogelijk is om te zeggen hoeveel van het effect puur op het conto van sociale contacten komt. Schattingen uit overzichtsstudies suggereren dat leefstijlveranderingen in brede zin potentieel een derde van alle dementiegevallen wereldwijd zouden kunnen voorkomen of uitstellen, maar dat blijft een schatting op basis van associatief onderzoek.
Claims zijn gebaseerd op twee grote gerandomiseerde trials (FINGER, POINTER), internationale richtlijnen en epidemiologische overzichtsstudies. De bewijskwaliteit voor beweging als losstaande factor is laag tot matig; voor gecombineerde multidomein interventies is het bewijs sterker maar nog altijd matig. Geen van de studies isoleert het effect van sociale betrokkenheid afzonderlijk.