Het energieverbruik in rust neemt geleidelijk af met de leeftijd, en daarvoor is stevig bewijs uit meerdere grote cohortstudies. De hoofdoorzaak is spierverlies: wie minder spiermassa heeft, verbrandt in rust minder energie. Dat inzicht is praktisch bruikbaar: spiermassa actief onderhouden via krachttraining is de best onderbouwde manier om dit te vertragen, al laten de beschikbare studies zelf die interventie niet direct zien.
Het basaalmetabolisme daalt inderdaad met de leeftijd. Grote cohortstudies in Amerikaanse, Italiaanse en Japanse populaties bevestigen dit patroon: het energieverbruik in rust neemt geleidelijk af en die daling zet door tot op hoge leeftijd. Een deel van de verklaring ligt in het afnemende aantal en de verminderde werking van mitochondriën, de energiecentrales van de cel.
De belangrijkste directe oorzaak is spierverlies. Vetvrije massa, grotendeels bestaand uit spierweefsel, daalt bij zittende mensen met ongeveer 15% tussen de dertigste en tachtigste verjaardag. Omdat spiermassa de voornaamste bepaler is van het energieverbruik in rust, vertaalt dit spierverlies zich rechtstreeks in een lager basaalmetabolisme. Op celniveau speelt een eiwit dat calciumtransport in spiermitochondriën regelt hierbij een rol: dat eiwit neemt in activiteit af met de leeftijd, wat de energieproductie in spiercellen verstoort en bijdraagt aan leeftijdsgerelateerd spierverlies.
Ook het uithoudingsvermogen neemt meetbaar af. De maximale zuurstofopname daalt progressief. Tot de late middelbare leeftijd komt dit vooral door een lagere hartfrequentie en een verminderd hartminuutvolume. Op zeer hoge leeftijd speelt ook de achteruitgegane mitochondriale capaciteit in de spieren zelf een grote rol: bij oudere mensen kan die bijdrage oplopen tot circa 50% van de totale daling ten opzichte van jong volwassenen.
Voor vrouwen is er een extra factor: de menopauzeovergang brengt veranderingen in lichaamssamenstelling met zich mee die losstaan van de normale leeftijdsdaling. De snelheid waarmee vetmassa toeneemt, verdubbelt tijdens die overgangsperiode, en tegelijkertijd begint spiermassa sneller af te nemen. Opmerkelijk genoeg stijgt het totale lichaamsgewicht in die periode niet sneller dan daarvoor. Het gaat dus om een herverdeling van vet naar spier, niet om gewichtstoename an sich.
Tot slot is er recent dieronderzoek naar oleuropein, een polyfenol uit olijven, dat het mitochondriale calciumtransport in spieren activeerde, de energieproductie verhoogde en het uithoudingsvermogen verbeterde bij muizen. Dit klinkt veelbelovend als potentieel aanknopingspunt, maar alle data komen uitsluitend uit cel- en muismodellen. Er zijn nog geen onderzoeken bij mensen, dus praktische conclusies voor mensen zijn er vooralsnog niet te trekken.
De claims zijn gebaseerd op cohortonderzoek, spierbiopten bij mensen, fysiologische studies naar VO2max en een cohortstudie naar de menopauzeovergang. De causaliteit van spierverlies op basaalmetabolisme is goed onderbouwd. Het oleuropein-onderzoek betreft uitsluitend dier- en celmodellen.