Hoe meet je insulineresistentie?
Er zijn meerdere manieren om insulineresistentie te meten, van een nauwkeurige maar dure ziekenhuismethode tot eenvoudige bloedberekeningen zoals HOMA. Welke methode voor jou zinvol is, hangt af van de context: bespreek het met je arts als je vermoedt dat je insulineresistent bent.
De gouden standaard is de zogenaamde insulineklem: daarbij krijg je insuline via een infuus terwijl de bloedsuiker kunstmatig stabiel wordt gehouden. Hoe meer glucose er nodig is om die balans te handhaven, hoe gevoeliger jouw lichaam voor insuline is. Deze methode is zeer nauwkeurig maar ook tijdrovend en duur, dus buiten onderzoekscentra zelden beschikbaar.
Voor dagelijks gebruik in de kliniek is HOMA veruit de meest gebruikte methode. Je berekent hem uit twee nuchtere bloedwaarden: bloedsuiker en insuline. Dat is eenvoudig en goedkoop, maar de grenswaarden voor 'te hoog' verschillen per leeftijd, geslacht en etnische achtergrond. Hetzelfde geldt voor QUICKI, een vergelijkbare formule die ook op nuchtere bloedwaarden is gebaseerd.
Wil je ook zien hoe het lichaam reageert na het eten van suiker, dan zijn de Matsuda Index en de ISSI-2 bruikbare aanvullingen. Die worden berekend uit meerdere bloedafnames na het drinken van een suikeroplossing. Dat geeft meer informatie dan alleen nuchtere waarden, maar kost ook meer tijd.
Er zijn ook methoden die specifiek het vetweefsel in kaart brengen. De Adipo-IR index schat hoe goed insuline de afbraak van vet afremt: je vermenigvuldigt daarvoor nuchter insuline met nuchtere vrije vetzuren. De samenhang met de gouden standaard is matig. Bij mannen bleek een buikvetdikte (voor het buikvlies) van 1,2 cm of meer via echografie een bruikbare grens; bij vrouwen werkte de dikte van het onderhuidse buikvet beter, met een grens van 1,1 cm. Deze echografische grenzen zijn vooralsnog alleen onderzocht in een Aziatische populatie en zijn dus niet breed toepasbaar.
De Atherogenic Index of Plasma, een bloedvetberekening die normaal voor hart- en vaatrisico wordt gebruikt, hangt in één observationeel onderzoek samen met insulineresistentie. Dat is te weinig om er nu al diagnostisch op te steunen.
Gebaseerd op een mix van diagnostische reviews en observationeel onderzoek. De gouden standaard (insulineklem) is robuust onderbouwd. De indirecte methoden (HOMA, QUICKI, Matsuda, Adipo-IR) zijn matig tot goed onderbouwd maar kennen populatieafhankelijke drempelwaarden. De echografische en AIP-bevindingen zijn voorlopig.