Hoeveel zone 2-training heb je per week nodig?
Er is geen onderzocht minimum voor zone 2 bij recreatieve sporters, maar de patronen bij topsporters laten zien dat lage intensiteit het meeste trainingsvolume vult en dat het weghalen ervan ten koste gaat van conditie. Heb je beperkte trainingstijd, richt je dan op een ruime basis van lage intensiteit en voeg pas hoge intensiteit toe als die basis er staat.
Zone 2-training (inspanning waarbij je bloedlactaat tussen de 2 en 4 mmol/L blijft) neemt bij topsporters een opmerkelijk bescheiden deel van het weekprogramma in. Bij elite wielrenners lag dat aandeel op slechts 7 tot 13% van het totale trainingsvolume, terwijl de grote meerderheid van de tijd (65 tot 91%) in de nog lagere zone 1 werd doorgebracht. Een olympisch roeierskoppel kwam op gemiddeld 17% zone 2, de rest was eveneens lage intensiteit. Zone 2 is in al deze gevallen aanwezig maar duidelijk niet de dominante zone.
Dat patroon bij topsporters zegt niet per se iets over recreatieve sporters. Bij nationale jeugdzwemmers bleek 7 weken lang meer hoog-intensiteitstraining ten koste van laag-intensiteitsvolume geen prestatiewinst op te leveren. De lactaatdrempelsnelheid ging er zelfs op achteruit in de groep die minder laag-intensiteitstraining deed. Dat wijst erop dat een ruime basis van lage intensiteit bijdraagt aan het onderhouden van conditie, ook bij jongeren.
Concrete wekelijkse aantallen voor de gemiddelde sporter zijn op basis van de beschikbare studies lastig te geven. Wat er wel uitkomt: elite duursporten worden gekenmerkt door een groot totaalvolume met het zwaartepunt op lage intensiteit. Zone 2 is daar een onderdeel van, geen hoofdmoot. Bij hardlopen op wereldniveau liep dat neer op 150 tot 180 km per week met het grootste deel op lage hartfrequentie; zone 2 was daarin slechts één van de intensiteitszones.
Hoeveel zone 2 jij nodig hebt hangt in de eerste plaats af van je totale trainingstijd. Als je 5 uur per week sport, levert zelfs 15% zone 2 maar 45 minuten op. De studies geven geen minimum-drempelwaarde voor recreatieve sporters. Wat ze wel laten zien: wie laag-intensiteitsvolume inruilt voor meer hoge intensiteit, presteerde niet beter en soms slechter.
Alle beschikbare studies zijn beschrijvend of casusgericht (enkelvoudige atleten of kleine groepen) zonder controlegroep, behalve de jeugdzwemmerstudie (randomized, maar klein en kort). Geen van de studies test een optimale zone 2-dosis in gecontroleerd experimenteel opzet bij recreatieve sporters.