Bij futloosheid is gericht hormoononderzoek zinvol, met de schildkliertest (TSH en vrij T4) als best onderbouwde eerste stap. Tests voor bijnieren en hypofyse zijn diagnostisch relevant maar bedoeld voor mensen met extra klachten of risicofactoren. Voor overtrainingssyndroom ontbreekt nog een gevalideerde hormoontest, en bij dialysepatiënten bleek hormoononderzoek de vermoeidheid juist niet te verklaren.
Als je je futloos en moe voelt, kan hormoononderzoek zinvol zijn, maar dan wel gericht: het gaat erom een specifieke hormonale oorzaak op te sporen, niet om zomaar 'je hormonen te checken'. Welke test nuttig is, hangt sterk af van je klachten, je leeftijd en je voorgeschiedenis. De meest ondersteunde test bij futloosheid is het meten van TSH en vrij T4, de schildklierhormonen. Een trage schildklier (hypothyreoïdie) is een bekende oorzaak van vermoeidheid en treft ongeveer 1 op de 300 mensen, vaker vrouwen en ouderen. Omdat futloosheid als klacht op zich niet genoeg is om de diagnose te stellen, is bloedonderzoek hier echt noodzakelijk. Dit is de hormonale test met de sterkste diagnostische onderbouwing bij vermoeidheidsklachten. Een tweede mogelijke oorzaak is bijnierschorsinsufficiëntie: onvoldoende aanmaak van cortisol door de bijnieren. Een vroege-ochtendmeting van cortisol, ACTH en DHEAS kan dit opsporen. Vermoeidheid is bij 50 tot 95 procent van de patiënten met deze aandoening aanwezig. Toch is bijnierschorsinsufficiëntie zeldzaam (minder dan 279 per miljoen mensen), tenzij iemand langdurig hoge doses cortisonmedicijnen heeft geslikt. In dat laatste geval is testen wel degelijk relevant. Hypopituïtarisme, waarbij de hypofyse te weinig hormonen aanmaakt, is ook een zeldzame maar serieuze oorzaak van aanhoudende vermoeidheid. De diagnose vraagt om uitgebreidere hormoonmetingen en soms een MRI-scan. Het gaat om 300 tot 455 gevallen per miljoen mensen. Dit is dus geen standaardcheck, maar iets om te overweging als er ook andere klachten zijn zoals lage bloeddruk, koudegevoeligheid of vruchtbaarheidsproblemen. Voor sporters met aanhoudende vermoeidheid en prestatieverlies wordt hormoonmeting ook onderzocht als hulpmiddel bij het opsporen van overtrainingssyndroom. Maar er bestaat nog geen gevalideerde standaardtest voor; de diagnose wordt pas gesteld als andere oorzaken zijn uitgesloten. Hormoonmetingen alleen zijn hier onvoldoende. Een belangrijke kanttekening: bij dialysepatiënten bleek dat standaard laboratoriumwaarden, waaronder hormoonwaarden, de mate van vermoeidheid helemaal niet konden voorspellen. Dit herinnert eraan dat hormoononderzoek niet altijd de verklaring biedt, zeker niet als de oorzaak van vermoeidheid elders ligt, zoals bij depressie of chronische ziekte.
Gebaseerd op vijf bronnen: één sterke (schildklier/TSH), twee matig (bijnieren, hypofyse), twee beperkte (overtrainingssyndroom, dialysepatiënten). Alle studies zijn diagnostisch/associationeel van aard, geen interventie-RCT's.