Heeft de volgorde waarin je eten opeet invloed op je spijsvertering?
Ja, de volgorde waarin je eet heeft invloed op je bloedsuiker en spijsverteringssnelheid: eerst eiwit of groenten, dan koolhydraten werkt het gunstigst, vooral als je diabetes type 2 hebt of wilt voorkomen.
Eerst eiwit of vezels eten, dan pas koolhydraten, heeft een meetbaar effect op je bloedsuiker na de maaltijd. Bij mensen met diabetes type 2 daalde de bloedsuikerstijging aanzienlijk wanneer ze eerst vis of vlees aten en daarna pas rijst. Bij gezonde mensen was dit effect kleiner en niet statistisch significant.
De maaglediging speelt hier een grote rol. Wanneer vlees of vis als eerste werd gegeten, bleef de maaginhoud veel langer in de maag: de helft van de maaginhoud was na ongeveer 83 minuten weg, tegenover 30 minuten wanneer rijst als eerste werd gegeten. Die vertraging zorgt ervoor dat suikers trager in het bloed opgenomen worden.
Eiwit als eerste gang stimuleert ook de aanmaak van het darmhormoon GLP-1, dat de bloedsuiker helpt reguleren en een verzadigingsgevoel geeft. Vlees had in de beschikbare studies een sterker effect op GLP-1 dan vis. Maar er is een voorbehoud: vlees verhoogt tegelijk een ander darmhormoon, GIP, dat vetopslag in vetweefsel bevordert. Of dit op de lange termijn tot gewichtstoename leidt, is nog niet in langetermijnstudies aangetoond.
Vezels als eerste eten verlaagt de bloedsuikerpiek ook, maar stimuleert GLP-1 niet. Onderzoekers suggereren dat vezels combineren met eiwit of vet vóór koolhydraten een extra effect zou kunnen hebben, maar het klinisch bewijs hiervoor is nog dun.
Zelfs hoe je eet telt mee. Een kleine studie bij 11 gezonde vrijwilligers liet zien dat rijst eten met eetstokjes een lagere bloedsuikerpiek gaf dan met een lepel (glycemische index 68 versus 81), waarschijnlijk doordat mensen per hap minder eten en langer kauwen. Dit is voorlopige kennis uit een zeer kleine studie.
Claims gebaseerd op PMID 26704625, 32825124 en 25484351. De glucosedalingen zijn het sterkst aangetoond bij mensen met diabetes type 2; effecten bij gezonde mensen zijn kleiner en niet altijd statistisch significant. Langetermijngegevens over gewicht ontbreken.