Darmen van apen onthullen veroudering op celniveau
De dunne darm veroudert, en dat is nu voor het eerst in detail zichtbaar gemaakt op het niveau van individuele cellen.
Wetenschappers analyseerden de kleine darm van niet-menselijke primaten op het niveau van afzonderlijke celkernen, via een techniek die enkelvoudige nucleusprofilering heet. Ze beschreven wat er verandert als de darm ouder wordt: de barrièrefunctie van de darmwand neemt af, er ontstaat meer ontstekingsactiviteit, en stamcellen kiezen vaker voor een verkeerd celtype. De studie verscheen in Nature Aging.
NCoR1 als sleutelmolecuul
Een van de opvallendste bevindingen: het eiwit NCoR1 neemt af naarmate de darm veroudert. NCoR1 is een co-repressor, een molecuul dat de activiteit van andere genen reguleert door die te dempen. Als NCoR1 wegvalt, verandert de manier waarop genen in darmcellen aan- en uitgeschakeld worden. Dat lijkt samen te hangen met de verslechterde barrièrefunctie en de toegenomen ontsteking.
Vervolgens testten de onderzoekers of metformine, een al decennialang gebruikt medicijn tegen type 2 diabetes, deze veranderingen kon terugdraaien. Metformine staat de laatste jaren in de belangstelling als mogelijke verouderingsremmer. In dit onderzoek bleek behandeling met metformine de NCoR1-niveaus te herstellen en de tekenen van intestinale veroudering te vertragen. Het gaat om dierexperimenteel bewijs, niet om resultaten bij mensen.
Waarom de darm ertoe doet bij veroudering
De dunne darm is meer dan een spijsverteringsorgaan. Het is een actieve barrière tussen de buitenwereld en de bloedbaan, en een belangrijke speler in immuunregulatie. Als die barrière achteruitgaat met de leeftijd, kunnen stoffen die normaliter worden tegengehouden toch in de bloedbaan terechtkomen. Dat kan bijdragen aan de laaggradige chronische ontsteking (ook wel inflammaging genoemd) die geassocieerd wordt met veroudering en ouderdomsziekten.
De bevinding dat metformine NCoR1 herstelt en darmveroudering vertraagt, is voor een longevity-perspectief interessant, maar de auteurs benadrukken dat verder onderzoek nodig is om te begrijpen hoe dit zich bij mensen gedraagt.