Bloedtest voor alzheimer wordt wijdverbreid — maar wetenschappers zijn niet gerust
Een simpele bloedtest die kan aangeven of iemand alzheimer heeft of dreigt te krijgen: het klinkt als een doorbraak.
Alzheimer begint tientallen jaren voor de eerste symptomen op moleculair niveau. Eiwitophopingen — amyloïd-bèta en tau — stapelen zich op in de hersenen lang voordat iemand vergeetachtig wordt. Bloedtests die deze eiwitten meten, zijn de afgelopen jaren enorm verbeterd. Ze zijn goedkoper dan hersenscanners en toegankelijker dan lumbaalpuncties. En nu dreigen ze — of zijn ze al — op grote schaal ingezet te worden, ver buiten gespecialiseerde geheugenklinieken.
Science publiceert een kritisch overzichtsartikel waarin wetenschappers hun zorgen uiten over die ontwikkeling. Niet omdat de tests slecht zijn, maar omdat de interpretatie complex is en de gevolgen van een positieve uitslag enorm. Wat zeg je tegen een 55-jarige zonder enig symptoom dat zijn bloedwaarden wijzen op een verhoogd risico op alzheimer over vijftien jaar? Wat doet die informatie met hem — psychologisch, praktisch, verzekeringtechnisch?
De test meet iets echts, maar wat precies?
De bloedtests meten voornamelijk de verhouding van bepaalde amyloïd-fragmenten, of de concentratie van fosfo-tau — een chemisch gemodificeerde vorm van het eiwit tau dat kenmerkend is voor alzheimer. Hoge waarden correleren sterk met de aanwezigheid van alzheimerpathologie in de hersenen. Maar correlatie is niet hetzelfde als zekerheid. Sommige mensen met verhoogde waarden ontwikkelen nooit klinische alzheimer. Anderen met relatief lage waarden wel.
Bovendien is er nog weinig bewijs dat vroege detectie leidt tot betere uitkomsten voor de patiënt — zeker nu de therapeutische opties beperkt zijn. De nieuwe antilichaamtherapieën zoals lecanemab en donanemab kunnen de ziekteprogressie bij sommige patiënten vertragen, maar zijn geen genezing en hebben bijwerkingen. Als je weet dat je amyloïd ophoopt maar nog geen symptomen hebt, zijn de behandelingsopties dunner dan het optimisme soms doet vermoeden.
Niet elke test die kán, moet ook
De bredere vraag die dit artikel aan de orde stelt, is een klassiek spanningsveld in de geneeskunde: het verschil tussen wat technisch mogelijk is en wat medisch verstandig is. Screeningsprogramma’s hebben in het verleden al vaker geleid tot overdiagnose — het identificeren van afwijkingen die nooit tot problemen zouden leiden — en de bijbehorende psychologische en medische schade is reëel.
Voor longevity-onderzoekers is alzheimer een van de meest dringende doelwitten, omdat de ziekte een van de voornaamste oorzaken is van verlies van gezonde levensjaren op hoge leeftijd. Maar de discussie over bloedtests laat zien dat betere diagnostiek en betere zorg niet automatisch hetzelfde zijn. Wat te doen met kennis die je niet kunt vertalen in actie, is een vraag die de wetenschap vooralsnog open laat.