Leef ik langer met meer sociaal contact?
Meer sociaal contact hangt samen met een langere levensduur, maar het effect is veel specifieker dan je denkt: het type contact en je geslacht maken het verschil, en kwaliteit telt meer dan hoeveelheid.
Meer sociaal contact hangt gemiddeld samen met een lagere kans op vroegtijdig overlijden. Maar het effect is specifieker dan de bekende boodschap suggereert. Uit een meta-analyse1 bleek dat mensen met minder sociaal contact 13% meer kans hadden om te overlijden dan mensen met meer contact. Dat gold echter alleen bij vrouwen en bij contacten buiten de familie. Bij mannen en bij uitsluitend familiecontact was er geen significant verband.
Of het gevoel van eenzaamheid zelf je leven verkort, is minder zeker dan vaak gedacht. Een Israëlische langetermijnstudie bij mensen van 70 tot 90 jaar2 volgde deelnemers zeven jaar lang. Ze vonden géén verband tussen je alleen voelen en eerder sterven of sneller achteruitgaan, ook niet als ze rekening hielden met depressie.
Wat je meetelt als 'sociaal contact' maakt ook veel uit. Een 14-jarige Deense studie bij ouderen3 liet zien dat de meeste netwerkmaten zwak en statistisch niet significant waren. Alleen de kwaliteit van het netwerk, beoordeeld van buitenaf, voorspelde levensduur betrouwbaar. Opvallend: het gevoel van eenzaamheid hing bij mannen wél samen met meer sterfte door hart- en vaatziekten. Dat is bijna het omgekeerde van wat de meta-analyse bij vrouwen vond.
Een groter netwerk brengt ook nadelen. Onderzoek bij twee jager-verzamelaarspopulaties4 liet zien dat vrouwen met een centralere positie in het netwerk meer levende kinderen hadden. Maar in één van de twee groepen hing diezelfde positie samen met meer ziekte, waarschijnlijk door hogere blootstelling aan infecties.
Tot slot vond de Georgia Centenarian Study5 dat honderdjarigen met meer sociale middelen vaker zelfstandig woonden dan in een verpleeghuis. Of dit hun levensduur zelf verlengde, valt op basis van die studie niet te zeggen. Het effect hing bovendien af van welk meetinstrument werd gebruikt.
Vijf observationele studies en langetermijn-cohorten; geen gerandomiseerde experimenten. De verbanden zijn associatief, niet causaal. Populaties, uitkomsten en meetmethoden lopen sterk uiteen, wat directe vergelijking lastig maakt.