Lp(a)-verlagend middel beschermt hart niet in grote studie
Een middel dat een bekende risicofactor voor hartziekten sterk verlaagde, beschermde het hart uiteindelijk niet. De resultaten zaaien twijfel over een veelbelovende aanpak in de cardiologie.
Lipoproteïne(a), afgekort als Lp(a), is een deeltje in het bloed dat bestaat uit vetten en eiwitten. Bij hoge concentraties verhoogt het de kans op een hartaanval of beroerte. Ongeveer één op de vijf mensen heeft van nature een hoog Lp(a)-gehalte, door erfelijke aanleg. Dat maakt het een interessant doelwit voor nieuwe medicijnen.
In een grote studie testte Novartis het middel pelacarsen bij patiënten met een bewezen hoog risico. De studie liep bijna vijf jaar en vergeleek het middel direct met een suikerpil. Pelacarsen verlaagde het Lp(a)-gehalte (een vetstof in het bloed die het risico op hart- en vaatziekten vergroot) aanzienlijk. Maar de studie liet geen verschil zien in hartaanvallen, beroertes, spoedoperaties aan de kransslagaders of sterfgevallen tussen deelnemers die het middel kregen en deelnemers die een suikerpil kregen.
Wat dit betekent voor het vakgebied
De resultaten werden gepresenteerd tijdens de wetenschappelijke bijeenkomst van de American Heart Association en gelijktijdig gepubliceerd in het New England Journal of Medicine. Cardiologen reageren verdeeld. Sommigen zeggen dat Lp(a) als risicofactor opnieuw moet worden beoordeeld. Anderen denken dat de doelgroep anders gekozen had moeten worden, of dat de dosis of duur van de behandeling niet optimaal was.
Lp(a)-verlaging bleek dus niet automatisch te leiden tot minder hartproblemen. Of dat komt door het middel zelf, de patiëntengroep of de manier waarop Lp(a) schade veroorzaakt, is na deze studie nog niet opgehelderd. Andere middelen die gericht zijn op Lp(a) worden nog onderzocht.
Zoektermen om verder te zoeken: lipoproteïne(a) cardiovasculair risico, Lp(a) gerichte therapie, antisense oligonucleotide hartziekte