Tumoren vernietigd dankzij slimme mRNA-T-celtherapie
Kanker-immunotherapie werkt maar bij een minderheid van de patiënten. De reden: veel tumoren laten het immuunsysteem koud. Een nieuwe mRNA-aanpak verandert dat bij muizen drastisch. Veel tumoren zijn immunologisch inactief.
Veel tumoren zijn immunologisch inactief. Ze activeren niet genoeg kankerdodende T-cellen (CD8+ T-cellen) om het immuunsysteem in beweging te krijgen. Sterker nog: sommige tumoren onderdrukken actief de signalen die nodig zijn voor een immuunreactie. Het gevolg is dat bestaande immunotherapieën, zoals checkpointremmers, bij veel patiënten geen effect hebben.
De onderzoekers ontwikkelden een mRNA-therapie die het zogeheten T-cel-primingproces versterkt: de fase waarin het immuunsysteem leert welke cellen het moet aanvallen. Door het immuunsysteem via mRNA extra instructies te geven, werden bij muizen sterkere en meer gerichte immuunreacties opgewekt, niet alleen tegen tumoren maar ook tegen influenza en COVID-19.
T-celpriming als zwakke schakel
T-celpriming vindt plaats in lymfeklieren. Dendritische cellen presenteren daar stukjes eiwit van tumoren of ziekteverwekkers aan T-cellen. Die T-cellen leren zo hun doelwit kennen en worden geactiveerd. Als dit proces verstoord is of te zwak verloopt, ontstaat er onvoldoende immuunreactie.
De nieuwe mRNA-therapie richt zich op het versterken van dit primingproces, niet op de tumor zelf. Dat is een andere strategie dan de meeste bestaande immunotherapieën, die vaak direct ingrijpen op de tumormicroomgeving of op T-cellen die al aanwezig zijn bij de tumor.
Wat dit betekent voor kanker en veroudering
Naarmate mensen ouder worden, verliest het immuunsysteem aan kracht. T-celpriming verloopt minder efficiënt. Dat draagt bij aan zowel een hogere kankerrisico als aan verminderde reactie op vaccins. Een therapie die primingprocessen versterkt, zou daarmee niet alleen relevant zijn voor kankerpatiënten, maar ook als strategie om het verouderde immuunsysteem te versterken. De muizenresultaten zijn veelbelovend, maar klinisch bewijs bij mensen ontbreekt nog.