Koper verwijdert giftige eiwitten bij Alzheimer
Een verbinding op basis van koper wist in laboratoriumonderzoek giftige eiwitten uit het brein te verwijderen die kenmerkend zijn voor de ziekte van Alzheimer.
Bij de ziekte van Alzheimer hopen amyloïde plaques (klonters van het eiwit amyloïd-bèta) zich op in de hersenen. Dat verstoort de communicatie tussen neuronen en wordt in verband gebracht met geheugenverlies. Een van de grote uitdagingen in Alzheimer-onderzoek is het vinden van stoffen die deze klonters effectief afbreken of voorkomen.
Het onderzoek beschrijft hoe een op koper gebaseerde verbinding het brein in staat stelde zijn eigen opruimmechanisme te herstellen. Daardoor daalde de ophoping van amyloïd-bèta aanzienlijk. Tegelijkertijd verbeterden de proefdieren op geheugentests. De resultaten kwamen uit laboratoriumexperimenten; of het effect ook bij mensen zo werkt, is nog onbekend.
Eerder al bij mensen getest
Wat dit onderzoek een extra dimensie geeft, is dat de gebruikte verbinding al eerder in klinische testen bij mensen is ingezet voor andere neurologische aandoeningen. Dat betekent dat er al veiligheidsgegevens beschikbaar zijn. De drempel voor klinische testen specifiek gericht op Alzheimer is daardoor mogelijk lager dan bij een volledig nieuw middel.
Toch zijn voorzichtigheid en nuance op zijn plaats. Veel Alzheimer-kandidaatmedicijnen zijn in laboratoriumstudies veelbelovend gebleken, maar faalden vervolgens in klinische testen bij mensen. De biologische complexiteit van de menselijke hersenen, en de vraag wanneer in het ziekteproces een behandeling moet beginnen, maken vertaling van laboratorium naar kliniek bijzonder lastig.
Koper en hersenfunctie
De rol van koper in de hersenen is al langer onderwerp van onderzoek. Koper is betrokken bij diverse enzymatische processen in neuronen. Een verstoorde koperhuishouding is in verband gebracht met meerdere neurodegeneratieve ziekten. Door koper gericht in te zetten als therapeutisch middel, wordt geprobeerd een al bekende route te benutten.
De onderzoekers beschrijven hun bevindingen als een mogelijke nieuwe behandelstrategie die snel door kan worden geklikt naar klinisch onderzoek, juist vanwege de bestaande humane veiligheidsdata. Dat maakt het een onderzoekslijn om te volgen.